EPILOOG

Den Haag, 27 april 2001

L.S.

Inmiddels ben ik weer teruggekeerd naar Nederland en ik kan terugkijken op een jaar van "leven vanuit de volheid", van verdieping, van genieten, van gelukkig zijn, van ontberingen soms, maar ook van hulp, die er altijd was als ik het nodig had, zowel in geestelijke als in praktische zin. Die hulp kwam van de mensen op mijn pad, en van datgene, dat ik ervaar als groter dan mijzelf. De kleine "toevalligheden", die me overkwamen en die dikwijls de sleutel vormden tot de oplossing van vragen waar ik mee rondliep. Ik voel me gezien en geleid en dit gevoel heeft me maar zelden verlaten. Dat is een grote genade.

Deze voettocht door de landen heeft mijn eerbied voor de menselijke waardigheid verdiept. Ik ben veel respect tegengekomen onderweg, dikwijls van mensen, die niet begrepen waarom ik zoiets vreemds deed. Men was belangstellend en gastvrij. Geen noemenswaardig kwaad is mij overkomen op deze lange weg naar Jeruzalem. Geen kwaad van mens of dier of omgeving. Ik mocht liefde ervaren en liefde geven, zien en gezien worden. Ik hoop dat dit proces door mag gaan. Het maakt mij erg gelukkig. En ik heb het gevoel, dat iets dat God, of Bron, of met welke Naam dan ook genoemd wordt, sterker in mijn leven komt en ik verlang ernaar om me totaal daaraan over te geven. Om meer en meer het leven te accepteren zoals het is, zonder voorwaarden. Om zo het vertrouwen en de dankbaarheid uit te drukken, die onderweg steeds sterker zijn geworden. Een cadeautje voor Degene, die in het verborgene leeft.

Zoals ik van plan was heb ik onderweg zichtbare en onzichtbare gebeden voor de vrede van Jeruzalem "verzameld". Ik heb geen toestemming gekregen om die op de Tempelberg aan God aan te bieden. De gedurende mijn reis verslechterende politieke situatie in Israel was daar zeker ook debet aan. De vraag komt natuurlijk op, of dat gebed dan wel geholpen heeft. Maar, ik heb nooit verwacht, dat mijn inzet meetbare resultaten zou opleveren. Daarvoor moet je een heilige zijn. Ik hoopte, dat ik een druppeltje vrede mocht brengen, dat mijn reis de vrede daar dienen zou en ben gedurende mijn reis steeds meer afgestapt van het verlangen naar resultaat. Dit is verlangen geworden naar: "Erbij zijn" en "ernaast staan" in deze steeds moeilijker wordende situatie en tegelijkertijd mijn verlangen naar en weten van vrede vasthouden. Gesprekken voeren, vooral ook in Israel/Palestina zelf en gebed en meditatie volhouden. Dat is wat ik kon doen. De rest laat ik aan God en aan de mensen daar over.

De verzamelde gebedsstrookjes zijn op de lente-evening bij zonsopgang op Mount Scopus ten n.o. van Jeruzalem aan ballonnen opgelaten. Ze dreven zoetjes naar de oude stad en het tempelplein.

Ik weet, dat het komt, de vrede van Jeruzalem en ik weet ook, dat het niet aan het einde ter tijden zal zijn.

Johanna van Fessem

terug