4e verslag van de voetreis van Johanna.
Maandag 5 juni, Regensburg.
Getrouw aan mijn reisdoel bel ik aan bij een kloostertje in de binnenstad van Regensburg om om het gebed voor de vrede te vragen. Een heel oude zuster doet open, maar ze heeft zon jonge heldere oogopslag, dat ik het helemaal vergeet. Vriendelijk belangstellend hoort ze mijn verhaal aan en als ik vertel hoe nodig het is om voor vrede in het Midden-Oosten, in Jeruzalem te bidden, zie ik in haar ogen een oprecht medelijden terwijl ze verdrietig zegt: "aber die Juden sind so hartnächig!".
Als een vuistslag treft me dit oude vooroordeel vanuit zo serene heldere bron, en zo argeloos gebracht ook, zonder enige veroordeling. Dat is misschien nog wel het ergste. Ik moet even naar lucht happen voordat ik met het gebruikelijke tegenoffensief begin; de Romeinenbrief, mijn kennismaking met de Talmoed, verkeerd verstaan van bijbelteksten, onbekendheid met wat Jodendom echt is. Ze luistert vriendelijk een aandachtig, maar ik weet niet of het echt doordringt.
Op haar beurt vertelt ze iets over de Russische pelgrim die in de 19e eeuw het Jezusgebed leerde, een kort gebed dat steeds opnieuw herhaald wordt en dat je op elke voetstap kunt zeggen. Dat is een goede tip. Juist vanmorgen viel me een kort gebed in, dat ik onder het lopen zou kunnen bidden.
Als ik afscheid van haar neem kijkt ze me met klare serene blik aan en zegt: " ik hoop dat u iets van ons gesprek hebt meegenomen", maar ik ben te laf om hetzelfde tegen haar te zeggen.
Ik oefen mijn gebedje wel onderweg en warempel, als ik het op het ritme van mijn voetstappen doe krijgt het een strakke cadans, gevoelsmatig begint het op een stormram te lijken die op een dichte deur ramt: :geeft, geef t, gééf t eindelijk, spreek tot het hart van Jeruzalem, dat haar lijdenstijd volbracht is, dat ze dubbel geboet heeft voor al haar zonden" (Js. 40,2)
Ik ben helemaal niet gewend om met zon aandrang te bidden, zo vanuit de wil, ik heb het meer op meditatie en af en toe een woordje uit mijn hart vanuit rust of dankbaarheid of vreugde. Is dit wel goed zo? Diep in mijn hart vind ik het een beetje primitief, meer iets voor ongeletterden of zo. Ik vind dat ik dit stadium van gebed al voorbij hoor te zijn. Hoewel Jezus dit soort gebed aanbeveelt! Wie ben ik dan? En als het nou eens goed zou helpen? Dan maar primitief! Ik voel wel dat er iets bij vrij komt, soms tranen en soms woede: " het is tijd, de ellende heeft lang genoeg geduurd, geef het nu en voor altijd, geef het voor Jeruzalem en daarmee voor de wereld, je hebt het beloofd, kom er mee voor de draad, I want it all and I want it now!" Met elke voetstap wordt het rustiger en dwingender tegelijk, ik ervaar een actieve werking. In de verte lijkt het op de weesgegroetjes van de veldprocessie op Witte Donderdag en op de Bedevaart die ik in Kelheim tegenkwam. Luidsprekers, een storm van voor en na bidden. Ontvankelijk word ik er niet van, wel is er een soort overgave aan een wilsstroom die ik van mijzelf niet ken, noem het maar durven of trekken of smeken, nee, geen smeken daar is het te wilskrachtig en te zelfstandig voor.
Wiesent, bij Wörth aan de Donau, 6 juni 2000. Dinsdag.
Vandaag mocht ik weer lopen door het heerlijke landschap, door het heerlijke bos, onder heerlijke temperatuur. Wat ben ik dankbaar dat ik dit doen mag en dat ik nog zo lang mag als alles goed blijft gaan. Ik loop nu door het Donaudal; ten zuiden van de Donau is het vlakke land. Aan de Noordoever begint onmiddellijk het bergachtige Beierse Woud dat op zijn laagste punt overgaat in het Bohemerwoud. Nog maar zon dag of 10 en ik kom bij mijn Tsjechische bekende in zijn jachtopzienershuis op de Hertenberg aan.
Daartussen liggen prachtige uitgestrekte bossen met stukken oerwoud. Helaas zeer bedreigd door de Käfen. Het woudsterven is hier nu ook begonnen en richt ware verwoestingen aan.
Vanaf Aken loop ik nu al door het woud en met de lichte up-en downs die ik natuurlijk ook heb ervaren- wat heb ik er van genoten en geniet nog steeds! Wat brengt het een dankbaarheid en stilte en vrede in me, wat is het een goede vriend geweest!
Even voor Wörth aan de Donau, waar ik een nieuwe kaart moet kopen, in Wiesent, spreekt een mooie vrouw van mijn eigen leeftijd me aan en nodigt me bij haar thuis uit. Mijn instinct zegt "ja!" en even later betreed ik haar huis, een oude watermolen aan een snel stromende beek. (Ze hebben eigen elektriciteit van de molen) Een heerlijk gesprek ontspint zich. Ze is lerares op een school voor kinderen met leermoeilijkheden (handvaardigheid, kunstgeschiedenis) heeft man en vier kinderen. We zijn even oud en wisselen onmiddellijk ervaring i.v.m. relaties uit, hoe je liefderijker met jezelf kunt omgaan, groepservaringen, kortom: t klikt!
We hebben het over bedevaarten. In Beieren worden er traditioneel heel veel bedevaarten gelopen naar andere krachtplekken, waar nu kerken staan, of ook naar plekken waar traditioneel veel gebeden is. Zodra ik onderweg vertel dat ik op bedevaart ben, lichten de gezichten op en krijg ik ieders eigen geloofsverhaal en dat van de bedevaarten waar men met zoveel verdieping van is terug gekeerd. Loop bedevaarten wel te verstaan, van 1 tot 4 dagen. Soms 80 km per dag. Ja, dat vind ik dan weer middeleeuws masochisme, waarom zoveel kilometers? Om goed te voelen wat lijden is? Dat weten we jammer genoeg toch wel.
Ik ging op een bankje in de schaduw zitten op een pleintje in Regensburg om te ontbijten, naast een oude vrouw met een heel chagrijnig gezicht. Je raakt toch aan de praat en ik vertel eigenlijk alleen maar dat ik op bedevaart ben en het hele prachtige verhaal van haar jeugd komt er uit. De moeder, die elk jaar een kind baarde en er elk jaar een ten grave droeg. Stel je voor: vier kinderen zijn er overgebleven van de achttien. En dat ze stierf toen ze 36 was. Deze oude vrouw had als klein meisje eens iets gelezen over de zegen die moeders aan hun dochters geven en zij had haar moeder om die zegen gevraagd. Ze vertelt hoe haar moeder haar toen gezegend heeft met handen op haar hoofd en haar schouders.
Tot slot trekt ze haar portemonnee en ik weet wat er gaat komen, maar dat wil ik niet meer, ik wil geen geld af troggelen van oude vrouwen. Ze kijkt me stralend en zacht aan met een vijf mark stuk in haar hand en zegt dat ze dit gesprek zo heerlijk heeft gevonden en of ik voor haar wil bidden in Jeruzalem. Natuurlijk bid ik voor haar, maar zonder geld! Maar ze wil zo graag dat ik het aanneem. "Machen Sie mich bitte toch die Freude, nehmen Sies an, und nehmen Sie sich Kaffee und Kuch davon!". Wat moet ik dan? Ik heb het toch weer aangenomen, heb haar naam opgeschreven op mijn lijstje gebedsintenties. Stel dat ik niet in Jeruzalem aankom? Gauw ga ik in het Maria kapelletje om haar naam daar te noemen. Je kunt voelen dat hier veel gebeden wordt door vrouwen. Er zitten er 4 en de tijd dat ik daar geniet van de zachte, welwillende atmosfeer gaan en komen er vele.
Elke muur hangt vol met portretten van de Grote Moeder en gewone mensenmoeders, dankzeggingen, briefjes met intenties, geborduurde portretjes, getekende. Maria staat er als een lange koele schoonheid, levensgroot in wit satijn gehuld op het altaar. Haar bijnaam is: "die Shöne Maria". Hier kan ik goed en hartstochtelijk bidden voor vrede in het Midden-Oosten, het is anders hier dan mijn meditatie. Dat is verbondenheid, ontvankelijk zijn. Dit is aandringen, willen overtuigen, niet ophouden met vragen.
Het is goed zo, heel anders dan ik gewend ben, het heeft de drang van het gebed van de bedevaarten, kloppen op de deur tot er wordt opengedaan. Dit is actief, rechtstreeks, het komt dichter bij smeken. Het is nieuw voor mij, of nieuw?
Ik herinner me opeens iets van heel vroeger, een jaar of 8 was ik en er was ruzie tussen mijn ouders. Mijn vader was weg en ik dacht dat hij voorgoed weggelopen was. Uren heb ik zo in bed liggen bidden, tot ik midden in de nacht de voordeur hoorde. Hij was weer thuisgekomen.
Bedevaarten, Beieren is er vol van, ook de goedgeschoolden gaan mee. Ook mijn gastvrouw, die weet van chakras, energiewerk en krachtplekken op aarde.
s-Avonds neemt mijn gastvrouw Renate me mee naar een van haar vriendenkringen. Een oud houten jachthuis midden in het bos van de vorsten van Thurn und Taxis. Veel van het gebied hier is van hen. Twee jachtopzieners zijn er ook bij. Heel eenvoudige mensen, die meteen mijn liefde voor het bos begrijpen en trouwens ook de intentie waarmee ik loop. Verder veel verschillende mensen, die me heel hartelijk als vanzelf opnemen.
Als ik vraag om muziek, liederen en verhalen uit de streek, krijg ik goudechte jodel melodieën te horen. Nooit geweten dat die ritmisch zo ingewikkeld in mekaar zaten! Ik moet even al mijn vooroordelen in een hoek zetten om te horen met hoeveel plezier en met hoeveel trots ze gezongen worden.
Er volgen verhalen, in het onverstaanbare Beiers, dat door Renate vertaald wordt, over de vorsten Thurn und Taxis. De moeder van een van de jachtopzieners (=Forsters) was zelf ook Förstin (geen Fürstin).
Zij stelde er een eer in als de vorst op bezoek kwam om van zijn favoriete uitzicht te genieten, de bosweg met de bomen te vegen, zodat er geen zandkorreltje verkeerd zou liggen.
Over dienstverlening gesproken, het is een barbecue party, maar de gastvrouw heeft speciaal voor mij verschillende kazen ingekocht. Daar word ik nou weer zo verlegen van.
7 juni, woensdag
Er heeft zich een aardbeving voorgedaan. Een grote teleurstelling is onverwacht mijn deel geworden. Ik had al een paar dagen veel last van mijn rechtervoet, in tegenstelling tot de rest van mijn lijf, dat is bloeiend, gezond, sterk en gelukkig.
Na doktersbezoek ben ik totaal in de war.
- 1e 6 weken rust om een ontsteking aan de achillespees te laten genezen.
- 2e Orthopedische zolen laten maken.
- 3e De voetreis opgeven. Met mijn doorgezakte voeten zal ik niet ver komen.
Ik heb toch totnogtoe helemaal nooit last van mijn voeten gehad!
Na het consult zit ik te huilen op het dorpsplein. Zo gauw wil ik nog niet opgeven, maar alle vreugde is opeens weg en dit heeft er dus van het begin af ingezeten, want doorgezakte voeten heb ik altijd al gehad.
Ik besluit om te vragen of ik een aantal weken bij mijn bekende in Zuid Tsjechië door mag brengen. Dat mag, die schat. Dit vind ik heel moeilijk om te verwerken, maar naar Jeruzalem gaan betekent ook sterven, misschien moet ik sterven door er niet te komen. Voorlopig ga ik rusten, opnieuw proberen en als het niet gaat met de fiets verder, maar de glans is van de reis af, zo lijkt het nu tenminste.
En ik loop zo graag, ik vind het zo heerlijk, en het ging zo goed de laatste weken en ik begon zo blij te worden (was ik trouwens al.
Op dat moment valt mijn oog op de tekst van de dorpsbron van Wiesent: zou er iemand uit de hemel vallen, dan moest hij in Wiesent vallen".
Zaterdag 10 juni
Ik zit al een paar dagen in Tsjechië. Wat een contrast met Duitsland! Alles is er slordiger, de mensen zijn miezeriger en zachter, veel minder zelfverzekerd en zo lief! Het woud hier, tegen de 900 meter is zo prachtig. Alles geeft zich in mij. Alles lijkt weer tot mij te spreken. Elke platte steen roept om een ceremonietje. De beek fluistert. Het is of elke boom, elke bloem een extra glansje heeft. Bohemerwoud- Sumawa. Het ruisende land.
Tsjechen, angstiger mensen ook dan in Duitsland, mede als gevolg van 40 jaar totalitaire staat? Of zijn de mensen ook kwetsbaarder. Ik denk het laatste. Als ik zo terugkijk op mijn reis door Duitsland dan voel ik: een groot, goed, gewetensvol land, barstensvol goede wil en flink wat schuldgevoelens (lijkt wel een beetje op Nederland). De energie is wat hard, Germaans Mannelijk, kwaliteit is gedegen, vlijtig, zeer hard werken. Met toewijding en perfectionisme vormgeven aan huis, tuin, weg, woud, kerken, stad. Redelijk schoon. Ook hier slaat het zwerfvuilmonster soms toe, tot grote verontwaardiging van de goede burger.
Ik heb heel veel traditioneel maar levend geloof gevonden. Ecologisch bewustzijn is al heel sterk verinnerlijkt. Toch zijn de mensen ook hier autoverslaafd.
Tsjechië likt zijn wonden nog 11 jaar na de fluwelen revolutie. Alle vrijheid nu, veel vervuilende- fabrieken zijn gesloten omdat ze niet tegen de westerse concurrentie op konden, maar niet alleen fabrieken, ook tuinderijen, zuivelboerderijen enz.enz.
Waarmee Tsjechië kleinschalig en meestal ouderwets (=dus ecologisch) milieuvriendelijk in zijn eigen onderhoud voorzag. De werkloosheid is enorm, de ontevredenheid groot en zonde van al die kleine bedrijfjes.
Een leuke vergelijking: toen ik net door Duitsland liep, vielen me in het restaurant altijd de tafelgesprekken van anderen op. Het ging toen heel veel over hypotheken, banken, spaartegoeden, meubels en het bouwen van huizen. Hier heb ik al drie keer (ja, ik versta een beetje Tsjechisch) aan de andere tafel iets gehoord over waar je het beste kip kon krijgen en hoe je die het beste kon grillen. De kwaliteit van de aardappels en of ze al nieuwe gegeten hebben. Hoe je kwark het lekkerst met kruiden kan vermengen, hoe koud of hoe warm je bier moet drinken en welke het beste is. Verlegen, soms stugge maar ook zachtmoedige mensen.
Hier in het dorp was er een bruiloft. Ik mocht mee met mijn gastheer die er uitgenodigd was.
Een prachtige Slavische bruid van 22 jaar, een meisje bijna nog, maar ook vol en vrouwelijk, in wit satijn. Bruidegom tenger, helder en wat verlegen. Ouders en gasten in gewone huis-tuin- en keukenkleren. Een bescheiden feesttentje in de tuin. Volop, volop wijn, bier en drank. Al het eten is zorgvuldig en door de bruid en bruidegom moeders klaargemaakt. Men gaat er ernstig en blij mee om dat er zoveel is. Eenvoudige keuken, geen hoogstandjes wat recepten betreft.
In Frankrijk heeft men ook een goed gevoel voor voedsel, maar meer vanuit een zorgvuldigheid: hoe kan ik het t lekkerst laten smaken. Hier in Tsjechië voel ik meer een soort eerbied voor voedsel, voor vlees vooral.
Enfin, de hele keukentafel, aanrecht enz. Is in ieder geval bedekt met schnitzels waar men omzichtig omheen loopt. Het fornuis staat hoog te branden, de koekenpannen sissen.
Voor mij, als vegetariër is er gerookte vis en die eet ik dus op, want ik ga niet lullig lopen doen. En die vis is dus ongelofelijk lekker! En die krijg ik samen opgediend met een halve liter pils, lekker, want het is warm. Ook nog een glaasje schnaps ernaast + een glas witte en een glas rode wijn en dat moet ik het liefst allemaal tegelijk opdrinken. De mannen geven het goede voorbeeld en dringen steeds aan dat ik moet drinken. Het valt me op dat de vrouwen zo goed als nuchter blijven. Onder hun wakend oog kunnen de mannen dronken worden, en dat worden zo ook, en hoe! Ik zie in het tegen elkaar opdrinken en elkaar uitdagen met prachtige volzinnen een groot plezier, een intense vrolijkheid van: we gaan er tegenaan en we gaan ervan genieten! Later wordt er, met hun dronken koppen, muziek gemaakt.
Bij een Tsjechische bruiloft hoort een muzikant. Met glazige blauwe ogen (ook al een flink aantal pilsjes) hanteert hij virtuoos zijn oude krakkemikkige harmonica Mijn gastheer heeft zich prachtig gekleed in een blauwe met bloemenband afgezette jack en heeft zijn doedelzak en viool meegenomen.
Wat kan die man spélen met zijn dronken kop! De rafels hangen ervan aan de strijkstok. Een heel dikke man met een prachtige zigeunerkop begint te zingen, hartstochtelijke Tsjechische volksliederen. Samen maken ze muziek en hun hart gaat open en het klinkt steeds mooier. Ik zit mee te zingen en te eten en te drinken samen met de anderen. In de late avond slaan we de muggen van onze benen. Het wordt echt feest met zang en dans, de volle energie wordt eraan gegeven, wat kunnen die mensen een echt blij feest maken dat het hart verheugt!
Ondanks alle dronkenschap heeft het een gevoeligheid die ik in Nederland nog nooit op een bruiloft ben tegen gekomen. Ik geniet.
11 juni, de volgende dag. Zondag Pinksteren.
Op mijn lijstje van Christelijke, Joodse en Islamitische feestdagen staat:
9-10 juni Sjaoewot = Joods Pinksteren.
11-12 juni Pinksteren
14 juni verjaardag Mohammed (en mijn moeder).
Ik ben niet erg tevreden over de manier waarop ik contact heb kunnen maken met de Joodse en Islamitische bewoners langs mijn reisroute. Twee keer heb ik in een grotere stad contact willen maken met de Joodse gemeente. Ik heb in ieder geval een briefje gestuurd naar de dichtstbijzijnde gemeente waar ik niet echt langs hoefde. En driemaal heb ik geprobeerd het aan te kaarten bij Turkse mensen, maar waar ik op het verkeerde tijdstip bij de moskee was.
Vandaag dus Pinksteren, een afsluiting van de hele cyclus vanaf Aswoensdag die ik onderweg heb meegevierd. Vandaag heb ik wel een heel vreemde pinksterviering meegemaakt. Dit land, Tsjechië, dat 40 jaar lang aan een ontkersteningscampagne onderhevig is geweest, komt ook met zijn geloof niet erg naar buiten. In Duitsland hoor je op bepaalde uren van de dag, 12.00 uur, 6.00 uur, altijd wel in de verte een klokje luiden. Dat hielp ook heel goed om me de gebedstijden te herinneren. Hier luidt nooit een klok.
Er is nog iets van Tsjechië dat ik dus heel erg vind: je kunt nooit even een van de vele kerkjes of kapelletjes in, altijd is alles op slot en uit angst voor diefstal en of ontwijding. Veel grafschennis afgebroken kruisen op de kerkhoven. Ik vier Pinksteren in een van buiten prachtig gerestaureerd kerkje. Van binnen zijn ze nog niet klaar en staat het vol steigers, verfpotten. Stoffige barokbeelden zijn bedekt met lappen dun plastic. Ik zit daar in de stilte voor de Heilige Mis op een stukje kerkbank, dat ik schoongeveegd heb van oud stof en nieuw gruis. Mijn communistische vriend heeft mij met de auto, 16 km ver naar dit dichtstbijzijnde kerkje willen brengen. Hij blijft buiten zitten met een boek op het oude kerkhof (hij weigert de kerk in te gaan) en ik zit binnen. Het gewelf wordt opnieuw geschilderd. Een heel plafond van houten steigers belemmert mijn zicht op de hemel. Tussen de planken door kiert een beetje licht. Daarboven op licht ook van dat dunne plastic, dat gedeeltelijk is losgeraakt en nu in lappen en plooien van de steigers hangt.
Ik zit hier beneden tussen de afbraak en de rotzooi van wat eens mooi was, een half houten altaar, de andere helft ligt afgebroken schuin in een zijpad. Een verveloze tabernakel met een roestige sleutel in het slot. Daarbovenop een raadselachtig morsig bordje waarop staat: Gestohlen. Oude planken, stukken zuil liggen op de vuile vloer.
Terwijl ik daar zo zit alleen nog- in de stilte, komt er door een open raam plotseling een sterke tocht, een vlaag wind, die het afhangende plastic in ontplooiing en beweging brengt. Als een sluier doet opwaaien, opbollen en vooral: ruisen. Heel de kerk is opeens vol van de wind en dat geruis. Door de kieren tussen de planken van de steigers kan ik een beetje zien dat daarboven, op een bijna onzichtbaar niveau door de wind veel beweging en leven in het plastic ontstaat. Maar vanaf mijn plek zie ik alleen de afhangende sluierslippen golven en hoor ik het zachte ruisen. Komt God voorbij? Of troont hij daar onzichtbaar in de Hoge en mag ik een slip van zijn mantel zien? Ademloos zie ik het aan, die rust, de wind die komt en gaat, het aanzwellende en wegstervende ruisen van die opwaaiende plastic flarden. Het vuil en de heilige troep hier beneden. Deze bizarre plek heeft iets ontzagwekkends dat ik niet in een kader kan plaatsen.
Er komen meer kerkgangers, een jong stel, twee oude vrouwen, een man en een jonge priester, die zich in de kerk in zijn zwarte toog en superplie (wit overkleed) moet hijsen. Geen gekleurd misgewaad, dus geen avondmaal weet ik.
Hij spreidt een smetteloos, gesteven servet uit op een schoon tafeltje. Daarop staan twee ongelijk brandende kaarsen. Op het servet plaatst hij een rond gouden doosje. Ik weet dat daarin de hosties zitten. De teksten zijn uiteraard in het Tsjechisch, maar ik herken het pinksterverhaal aan de opsomming van alle nationaliteiten die het talenwonder meemaakten: Parthen, Meden, Judea en Capadocie, Frygie en Pamfilie etc. Verder niets, niets versta ik van de dienst of begrijp ik wat er gebeurt. Ik maak het tegenovergestelde van het talenwonder mee! Ik voel me hier totaal misplaatst. Er gaat maar 1 persoon van de kerkgangers ter communie plus ikzelf. De anderen (4) schudden allemaal hun hoofd. De dienst duurt precies 16 minuten. Het servet wordt opgevouwen, het doosje verdwijnt in de binnenzak van de priester. Hij kleedt zich om. De kerk gaat uit. Op het kerkhof onder de pijnboom zit Cestmir vredig zijn boek over de oorlog te lezen.
Maandag 24 juli, Wiesent.
En vandaag gaat er gelopen worden. Voorzichtig, kalm aan. Tot mijn verbazing gaat het goed, gaat het beter. Na Wörth slaat het pad het bos in, het Bargische Wald.
Ik verbaas me hoe snel ik tussen de bomen oploop, hoe ik op mijn plaats kom.
Het is wel vreemd weer op reis te zijn. Eigenlijk nog vreemder als terug in Nederland zijn. Zulke verschillende richtingen ben ik gereisd, ik krijg er echt een soort warhoofd, warhart van. Maar in het bos is het goed. Ik begin langzaam te geloven dat ik echt weer op weg ben. Echt op weg naar Jeruzalem.
Weet je waar ik ook al zo van opgeknapt ben! Frambozen, De frambozen zijn rijp. Zoveel heb ik er nooit bij elkaar gezien. Ze groeien bijna als bramen. Zo verkwikkend! Ik heb me trouwens 2 uur slaap op een boisweitje gegund! Daar ben ik ook van opgeknapt.
Nu kampeer ik bij een boerderij nabij Pelgrimsberg. Ze nodigden me uit voor douche, ontbijt en beschutting. Ik sta op een kippenwitje, maar had me niet gerealiseerd dat daar ook een hoop kippenpoep ligt.
Het rommelt in de verte, onweer, maar ik heb niet het idee dat het hierheen komt.
Om 10 uur, ik lig al in bed, komt de lieve mevrouw van de boerderij me ongerust opjutten om toch maar binnen te slapen. Ze denkt dat het verschrikkelijk gaat onweren en ze heeft geen rust met mij in de tuin.Ik denk dat zij wel zal weten hoe het weer hier in elkaar zit. Dus ik er weer uit, alles overgeheveld naar een lege kamer binnen, tent afgebroken en weer gaan slapen, wat een gedoe! "s-Ochtends blijkt: geen druppel en geen bliksem! Helemaal voor niks, dat gedoe.
Woensdag 26 juli, Viechtach.
Regen, onweer, regen, zonnetje, regen. Mijn voeten doen heel zeer van de nieuwe zolen. Ik ga maar weer een tijdje zonder. Erg vermoeiende dag vandaag. Ik moet mijn eigen spoor trekken, weg van de E8, want ik ben op weg naar Zelezna Ruda Tsjechië, grensplaats met Baynisch Eisenstein.
Ik loop wel lekker, maar voel me ook een beetje kwaaiig. Waarom weet ik niet. Gewoon maar laten, kwaaiig zijn. Gaat wel over.
Schonau, ten oosten van Viechtach aan de Regen (rivier) 27 juli donderdag.
Vandaag heb ik geteut. Er vallen gaten in mijn sokken en in mijn dierbare rode elegante t-shirt en in het bos heb ik mijn washandje verloren. Dus ik ben in Viertach gaan winkelen. Washandje en sokken waren geen probleem, maar t-shirt, waar vind ik een net zo leuk t-shirt als het shirt dat ik tot de draad versleten blijk te hebben. Ik heb het 15 jaar. Het was het eerste sexy bloesje wat ik van mijn leven kocht, (ja, maar toen was ik pas 38, toen kon het nog!). Wat hecht een mens toch aan sommige kledingstukken.
Ik heb een gewoon rood t-shirtje gekocht met zon erg hoog halsje en daar heb ik een mooie v-hals ingeknipt, die ik netjes ga afbiezen. Ik heb zon zin om iets met mijn handen te doen! Ik heb eigenlijk helemaal geen zin in brieven schrijven of schilderijtjes maken. Opeens is het weg. Maar ik verheug me op het repareren van mijn rugzak. Misschien ga ik mijn nachtshirt wel borduren!
Ik kom nu in de streek van Beieren / Bohemen waar het s winters maandenlang erg koud was (-30 C°). Als er dan iemand stierf kon hij niet begraven worden vanwege de bevroren grond. Zon dode werd dan op zolder opgebaard (daar vroor het net zo hard als buiten) op een speciaal leichenbrett of ruhebrett. Na de begrafenis in de lente, werden die planken dan mooi beschilderd met naam en toenaam en ter nagedachtenis rechtop naast het huis of bij wegkruisen of kapellen in de grond gezet. Ik begin ze hier heel veel tegen te komen. Mijn eerste kennismaking ermee was in een donkere wegkapel met maar een raampje. In het halfduister zie ik de lijkplanken tegen de muur hangen, anno 1785, 1810, 1865 enz. en tot mijn schrik zie ik languit voor het altaar een halfnaakt lijk op een plank liggen. Als ik even goed kijk, zie ik dat het een beeld van de opgebaarde Christus in het graf is. Bovendien hebben de kolonie hoornaars (die knotsen van wesp-bijen) een groot nest van papier mache boven het altaar gebouwd en vliegen daar af en aan. Het is een luguber geheel.
Ik lees dat Camp David onverichterzake is opgebroken, maar ik ben toch niet zo teleurgesteld. Ze hebben voor het eerst over Jeruzalem op hoog niveau met elkaar gepraat en wel in een goede verstandhouding. Dat is een heleboel.
De springbalsemien bloeit, hele hommels verdwijnen er in die gulzioge bloemkelken en het boerenwormkruid, de leeuwebekjes. Ik heb net een heerlijk zurige appel op. Gekregen van de boerin die bij het bankje hoort waarop ik zit te schrijven. Het dal van de Regen is prachtig. In het noord-oosten zie ik de bergkam oprijzen die de grens vormt tussen Tsjechie en Duitsland. Nog twee dagen schat ik, dan ben ik weer in het woud van Bohemen.
28 juli Bodennais.
O, wat is alles vreselijk op dit moment. Mag ik alsjeblieft heel veel miauuwen en klagen en tegen je aan janken. (Geen grote ongelukken hoor, dat zeg ik je vast).
Alles ging goed tot gisterenavond half 10. Ik had avondwater gehaald en had een stukverop in het verder zeer schuin aflopende bos een keurig zacht plekje gevonden vlakbij een grote steen. Er waren geen muggen. De tent stond prachtig en ik had het zeer naar mijn zin. Een half uurtje nadat ik in bed lag begon het zoetjes te regenen. Geen probleem, tent dicht. Maar het ging harder regenen, harder en harder en harder. Nog steeds geen probleem, nee toch! Maar het begon me toch te verontrusten. Ik strek mijn hand uit om aan mijn broek te voelen die naast me op mijn rugzak ligt. Met zijn schuimrubberen draagriemen en zijn heupband lekker volgezogen. Ik voel de plek waar de tent water maakt. Veel water! Buiten hoost het. Te laat om mijn plastic er over te doen. Ik dep de plas op met mijn handdoek en houd hem buiten de tent en wring hem uit.
Binnen ligt alweer een plas. Zo blijf ik deppen en wringen, anderhalf uur lang, hozen eigenlijk. Gelukkig kan ik niet verdrinken, denk ik, en gelukkig is het niet koud, maar ik word moe, zo moe, en ik moet doorgaan. Natte armen, natte haren, dweilen en wringen met de kraan open. Ik moet. Op mijn knieen op de slaapzak, die ook verre van droog is en 5 km verder een stadje en dit is dus 8 km bos, met hoosregen, die doorgaat en doorgaat, en ik ben zo moe en tenslotte barst ik in snikken uit, God zij dank, dat doet me goed en de woorden uit psalm 139 komen in mij op: " en ik loof u Heer, omdat ik ben wonderbaarlijk van maaksel", alleen maak ik er van " dat dit alles is wonderbaarlijk van maaksel".
Oh, wat houd ik toch van de natuur, maar het is echt waar, ik voel ook een soort liefde voor het hele gebeuren, het komt alles uit Gods hand. Ik denk er wel bij: je zou wel anders piepen als je het koud had en honger had, en: angst is erger.
Ik besluit tot een wanhoopsdaad. Ik doe alles uit en ga toch bloot naar buiten om mijn onweerplastic over de tent te doen. Het bos is aardedonker. Ik zie gelukkig de witte scheerlijnen en weet precies waar de tentstokken staan. Plastic erover, t klettert meteen lekker. Tent in, rillend van de kou, t-shirt aan en dweilen maar weer.
Wat er in mijn rugzak zit zal ook wel zeikes zijn, o, al mijn droge goed! Ik kan nog mijn ondergoed redden, de rest is al verloren. Er komt nog steeds water binnen. Het blijft regenen. Na nog een keer dweilen, mijn handdoek is vreemd genoeg heel lang en dun geworden, ben ik zo uitgeput (het is inmiddels drie uur in de nacht) dat ik in mijn slaapzak schuif. Ik lig nog heerlijk na te snikken. Mijnn slaapzak is nog warm, mijn kletsnatte hoofd op het kussen, ik wacht op de rampen die komen gaan, maar ik steek geen vinger meer uit. Ik slaap. Om half zeven word ik wakker. Het regent nog steeds, maar iets minder. De handdoek is doorweekt en onder mijn matrasje is ook een plas water, maar ikzelf ben toch droog en warm.
Ik heb nog een klein stukje brood als ontbijt. Ik heb nog drinkwater. Ik doe mijn natte broek aan, wassen hoeft niet, ik heb vannacht al gedouched, en neem de schade op. Sokken nat, trui droog, slaapzak gedeeltelijk nat, matrasje nat, schoenen droog, shirt droog. Toilettas nat. Rugzak heel nat. Alles nat en droog inpakken. Het begint weer heel hard te regenen, drie kwartier blijf ik nog in mijn tent zitten. Ik speel fluit, maar de ware vreugde wil niet komen.
Dan heb ik er genoeg van. Eruit, plastic oprollen, tent met liters opvouwen, alles aangebonden, rugzak op, buk, buk, natte draagriemen, nu ook nat t-shirt, natte broek, bewegen. Blijven bewegen, warm blijven. Toch maar poncho om, beter dan niets en lopen. De regen wordt wat minder. Een half uur lang is het bijna droog.
Dan begint het weer. Het stadje waar ik wil zijn is maar 7 km verder, maar ik moet zo dikwijls schuilen, ik kna niet door deze wolkbreuk lopen. Ik kom er pas om twee uur aan, rammelend van de honger. Ik zie een pensionnetje, dat voelt goed vind ik. Hoeveel kost een kamer. Een vreselijk, vreselijke loerende tiranieke harde vrouw zegt: DM 80, voor minstens twee nachten. Ik ga verder, zelfs mijn intuitie werkt niet meer.
30 juli, zondag.
Inmiddels is het weer opgeklaard. Niet buiten, maar binnen. Ik had nog heerlijk meer willen klagen, maar het hoeft niet meer. Op een uitzondering na: ik heb de hals van mijn nieuwe t-shirt uitgeknipt en afgebiesd en het is scheef, scheef! Het ziet er dilettanterig en lelijk uit. Wat is er met mijn naaitalent gebeurd? Die vrijdag ging echt van alles mis. Gelukkig vond ik wel een lief pensionnetje. Waar ik al mijn natte spullen kon uitstallen en drogen, ik hoefde maar de helft te betalen. Bodenmais is een luft kurort. Er komen mensen die last hebben van hun ademhalingswegen, een kuur volgen en in de winter komen de skiers. Het ligt 20 km van de Tsjechische grens. De vakwerkhuizen zijn in dit gebied totaal verdwenen. In de plaats daarvan zie ik nu grote chalets met donker gebeitst schitterend houtsnijwerk aan lange balkons langs elke verdieping en daar hangen bloembakken aan met verschillende geraniums, petuniss en andere mij onbekende tuinbloemen en de meest gedurfde heldere kleurencombinaties. Je gelooft je ogen niet, zulk een pracht. Alles tot in de puntjes verzorgd en zeer groot en zeer rijk. Ik zie bijna geen kleine huisjes. De mensen zijn buitengewoon trots op hun "Bayern", hun voormalig koninkrijk en zetten zich enigszins af tegen de rest van Duitsland. Ze zijn trots op een zeer laag percentage misdaad, op hun oude gebruiken die ze als moderne mensen met GSM, internet, auto enzovoorts, met plezier in ere houden. Vele van hen dragen klederdracht, die ze vrolijk afwisselenen met westerse kledij.
Het raakt een oud verlangen in mij, ik heb het altijd jammer gevonden dat het dragen van die schitterende streekdrachten bijna helemaal uit is geraakt in Nederland.
Ik zie hier ook veel heel dikke mensen, al dat Schweinefleisch ook! Een vegetarische aanrader: Semmelknödel mit pfifferling soße. Een grote gekruide, gekookte deegbal in een diep bord vol bruine paddestoelenragout. Klinkt niet lekker? Is heel lekker! En voedend.
Gisteren heb ik het laatste stuk Duitsland gelopen. Van Bodenmais naar Zelezna Ruda aan de Tsjechische grens en mij welbekend van mijn eerste reis in Tsjechie, toen ik door het Bohemerwoud getrokken ben. En daar ben ik, tot mijn grote vreugde weer. Helemaal zelf naartoe gelopen. Ik mag daar eigenlijk niet trots op zijn, want dit is een bedevaart en ego hoort daar niet echt bij. Maar ik heb toch een voldaan gevoel. Ik heb zon negen weken door het bos gelopen en ik krijg er maar niet genoeg van. Ik vind het altijd weer even prachtig.
Het Bohemerwoud, dat Europas groene longen is, nog nergens anders zag ik zulke woudreuzen, die hun wortels rondom rotsblokken vastklemmen die op een of andere manier boven op zon steen 2 eeuwen oud en dik zijn geworden en dan ligt er nog wat mos op zon steen met wat woudklaver een paddestoel en een varentje.
© Copyright 2000-2008 Johanna
van Fessem. Getypt door Adrie van den
Hoek, secretares van Johanna. Design by Ales
Vanek.
Laatste update: 30 IX 2008